‘Ich bin Ein Vermonter!’, of: Waarom we eigenlijk in Canada wonen.

Een van de meest opvallende dingen in de omgang met mensen hier is dat, tot gisteravond, niemand me ooit vroeg hoe ik het vond om nu, als Nederlander, in Amerika te zijn. Niemand. Maar bijna iedereen vroeg daarentegen wat wij, als niet-Vermonters, nu van Vermont vinden, van de Vermonters, en of we al een beetje contact hebben gemaakt. En dan zeggen ze bijna allemaal dat dat wel niet zo makkelijk geweest zal zijn, omdat Vermonters stug en onvriendelijk zijn, niet zo aardig en makkelijk als mensen in New Jersey/Wyoming/Ohio, of waar ze dan ook nog maar meer gewoond hebben. (Maar het zijn dus allemaal hele aardige en toegangelijke mensen, die dit zeggen.) De Vermontse identiteit overstijgt verre de Amerikaanse, en iedereen is zich voortdurend bewust van hun/ons Vermonter-niet-Vermonterschap. Het algemene idee is dat ‘echte’ Vermonters hier al generaties lang vandaan komen, niemand van buiten accepteren, en dat pas onze kleinkinderen zich misschien Vermonters kunnen noemen (al noemen ze zich dan vast nog steeds ‘Dutch’). ‘Echte’ Vermonters zijn klein – Chris is hier een boom van een vent, terwijl hij in Nederland een kort mannetje was – ze hebben een donker uiterlijk (bruin haar e.d.) en hebben vaak een Franse naam. Het zijn eigenlijk, kortom, Quebecois, – en Vermont is eigenlijk een stukje Frans-Canada wat betreft z’n geschiedenis – dezelfde indianenstammen, dezelfde ‘trappers’, dezelfde tradities van bos en bevers en birch bark canoes.

Van die achterdocht hebben we nog niet veel gemerkt – maar iedereen kijkt wel inderdaad de kat uit de boom. Onze ‘boven’buren, een echtpaar dat verder op onze oprijlaan woont, zagen we pas na twee weken, toen wij maar naar ze toe gingen. En pas eergister zijn ze komen eten – erg aardige en inderdaad erg korte mensen; en toen kwamen ze met een prachtige ‘welcome’ basket vol zelfingemaakte pickles en zelfgemaakte wijn. Maar die tijd die nodig is voor toenadering, die is dus anders, geloof ik. En mensen kijken soms verbaasd als wij bij Joe’s Snackbar

Nederlands praten – maar niemand vraagt ooit of we buitenlanders zijn, of wat we praten, het blijft enorm discreet. Ondanks dit alles hebben wij totnutoe een bloeiend sociaal leven, vergeleken met Nederland, we hebben voortdurend mensen te eten, gister ging ik naar een kroeg met Kim, en ik heb al drie keer met Sarah gelunchd – dus het valt enorm mee, met dat isolement, en dan is de school nog niet eens begonnen.

Maar gisteravond, toen ik eindelijk wat met Kim ging drinken (we speelden al een week phone tag, zij had steeds toch iets anders of was niet bereikbaar via haar cell phone en dan belde ze net als ik even weg was) – zij werd gek, zei ze, want haar man die photojournalist is gaat 7 September naar Afghanistan en dan is ze alleen met de kinderen en ze heeft net een nieuwe baan en het razend druk dus ze wou even wat ‘girl time’, en ik was natuurlijk blij en vereerd die met haar door te brengen – enfin dus we gingen naar de bar van een hotel hier in de buurt, waar een man banjo zat te spelen en het vol met hotelgasten zat maar eigenlijk wel erg leuk, net een Engelse pub. En op een gegeven moment vroeg Kim mij heel nadrukkelijk of ik eigenlijk van plan was Amerikaan te worden. Toen ik zei dat ik in eerste instantie niet eens een green card mag (omdat de Amerikaanse immigratiedienst vindt dat ik de vorige ‘abandoned’ heb, in de steek gelaten (ik moest hem bij aankomst in Boston een keer afstaan)) enfin, toen ik dus zei dat ik dacht van niet, keek ze mij ernstig aan en zei dat ik daar maar over moest liegen, als ik andere mensen tegen kwam, want dat mensen het mij wel zouden aanrekenen als ik wel genoot van de geweldige ‘services’ in het Land of the Free, maar niet Patriot genoeg was om me zelf Amerikaan te (willen) noemen. Ik was stomverbaasd – Chris ook, toen ik het hem vertelde, maar ze meende het wel, en zei dat ze wel een probleem hadden met buitenlanders die de Amerikaanse politiek niets interesseert, omdat het hun regering niet is. (Wat Chris trouwens nog steeds onzin vond).

Ik vind Kim erg interessant, ook omdat ze ontzettend politiek aktief is: ze werkt voor de Vermontse senator Bernie Sanders, een van de weinige senators die zichzelf in dit land, in deze tijd, socialist durft te noemen. Kijk even naar deze clip: http://videocafe.crooksandliars.com/heather/bernie-sanders-va-socialized-health-care-system waarin hij stelt dat de VA – de Veteran’s Administration, de gezondheidszorg van het leger – een socialistisch systeem is, tegen John McCain (die senator is van Arizona). Die man dus – in Vermont een held, en zeer zeker iemand die het algemene gevoel in Vermont vertegenwoordigt. Wat dus ook daardoor eigenlijk veel meer op Canada lijkt. Zaken als het homohuwelijk en sociale gezondheidszorg zijn hier vanzelfsprekend, die in andere delen van Amerika verafschuwd en verguisd zijn. Het slogan onder wat rechterse Vermonters is dat ‘Vermont is very bad for businesses’ omdat er allerlei wetten zijn die consumenten beschermen, dus allerlei (uitbuiterige) bedrijven vestigen zich hier niet eens (we konden bijvoorbeeld maar uit twee ‘Health Insurance’ bedrijven kiezen). De wetten tegen landschapsvervuiling en het bebouwen van industrieel terrein zijn veel strenger dan, bijvoorbeeld, in buurstaat New Hampshire: waardoor Vermont, als je er doorheen rijdt, veel mooier en ongerepter is, maar ook allerlei industrie dus niet heeft. En er is een enorme nadruk op zelfbestuur – niet alleen in de staat, maar ook op veel kleinere schaal, op dat van de county en van de town.

Wij wonen in Jericho, een stadje van 5000 mensen, en die heeft zijn eigen gemeentebestuurtje, een groep vrijwilligers die heet de ‘Select Board’, en daarin zaten vroeger de Select Men, maar nu de Select Persons. En Kim is ook een Select Person, en vertelde over de vergaderingen daarvan – vol ‘old boys’ die de dingen al jaren zo doen, waar zij dan tegen in probeert te gaan. Ze beslissen van alles: van de budgetten voor de school tot het al dan niet aanleggen van nieuwe wegen (niet Interstates, en ook niet State Roads, maar wel bijvoorbeeld het bestraten of repareren van kleinere ‘local’ roads); en ze zijn momenteel bezig met een ‘Burn Ordinance’, een wetgeving over wie wat wanneer en hoe mag verbranden, wat dus ook per stad(je) wordt bepaald. Meer details kun je hier vinden… http://kimmercer-jerichosb.blogspot.com/. En wat dat betreft is die nadruk op zelfbestuur en behoefte iedereen er bij te betrekken wel weer erg Amerikaans – erg ‘frontier’ ook: wij hebben geen mensen in Washington nodig om ons te vertellen hoe we onze problemen oplossen of ons geld uitgeven. En dan hangt er dus bij de (enige) pinautomaat in het stadje een lijst met dingen die worden besloten op de volgende vergadering, en kan je met een kruisje naast je naam erover stemmen.

Een ander voorbeeld van zelfsbestuur en ‘burgerbetrokkenheid’ is het concept van de CSA, de Community-Supported Agriculture. Het idee is dat in plaats van dat mensen eten van ver weg in een supermarkt kopen, en boeren grote bedrijven hebben zodat ze winst kunnen maken op de export, er hier een aantal boeren (die groenten, fruit, vlees, kaas maken) samen een soort club beginnen, waar je lid van kan worden. Je betaalt een bedrag per seizoen, en neemt een ‘abonnement’ op vlees, groente of een ‘settlervore’ dwz brood, kaas en eieren. Een boerderij is het verzamelpunt, en daar ga je een keer per week heen om je ‘share’ op te halen: in ons geval een boerderij hier in de buurt op een idyllische plek ligt, waar we een grote rustieke mand vol halen met vlees, brood, kaas en enorme bergen groente. Wat ‘in season’ is kan je op de boerderij plukken: op dit moment bakken verschillende soorten ontzettend zoete tomaten en zakken vol met boontjes, en bloemen en kruiden die je met een schaartje langs de rijen afknipt. “the kids love it,” matuurlijk, en je komt tussen de bonenrijen altijd hele blij-kijkende hippie-achtige ‘stay-at-hom-moms’ tegen die hun kleine Hunter of Abigail vragen om de boontjes er een beetje vriendelijk af te rukken en niet met hun kleine Crocjes in de bloemetjes te stampen ‘honey, please!’. Het eten is werkelijk fantastisch – zoete tomaten, geweldige mais, biologisch vlees. We maken eindeloos veel pasta met tomatensaus en hele grote salades met drie kleuren worteltjes en vijf soorten tomaat.

Ik word per definitie nooit een echte Vermonter. Maar ik ben zelden zo dicht bij het land geweest, als hier.

Advertisements

Comments (2)

Verdelgblog- vervolg

13 augustus alweer!

Sorry!! Ik heb veel te lang geen blog geschreven, en de vorige niet eens afgemaakt! Veel te druk met leven, maar het is natuurlijk ontzettend hoog tijd om jullie daarvan op de hoogte te stellen.

Dus!

Sinds mijn vorige stukje zijn wij op een klein vakantietje geweest, hebben een poesje geadopteerd, en ik heb een kantoor gehuurd. En ‘as we speak’ (ik zit nu trouwens in de trein van New York naar Philadelphia, was een dag in New York voor werk, ga vanavond weer naar huis) is waarschijnlijk de lumber jack bezig met een graafmachine de bomen om te duwen, althans de verdoemde bomen die Chris met van die cryptische roze tape die je altijd in bossom om bomen ziet (waarvan we nu dus een rol in de garage hebben, en ook een spuitbus met van die roze verf!) heeft omwikkeld als zijnde rijp voor de slacht. Dus, nog even dat bomen-verhaal afmaken: bomen kunnen op je huis vallen en nemen zonlicht en uitzicht weg, en dat zijn zo’n beetje de voornaamste redenen dat vrijwel iedereen die even in Vermont (en Maine, en New Hampshire, en Oregon, etc. etc) in het bos woont de bomen om z’n huis heen kapt. We hadden de vorige bewoners te eten – het lieve hippiegezin Bobby (man), Jessamy (vrouw), Aoife (Spreek uit ‘Ievie’, meisje van twee) en baby Jude (jongen, ik zeg het maar even), die ons huis in zulke mooie kleuren schilderden – en Bobby vertelde dat hij ze eigenlijk ook wilde kappen (om dezelfde reden), maar Jessamy dit het geveto’d en had gezegd ‘it just doesn’t seem right to kill those living things’… Maar ja, Jessamy is ook tegen het inenten van kinderen (wat ik/wij een levensgevaarlijke trend vinden) en tegen wegwerpluiers (idem dito J!) en er zijn nog zeker 10.000 andere ‘living things’ op ons land, dus we gaan toch maar voor veilig en zon. En komt vandaag of morgen de lumber jack ze omduwen.

Ken je de Monty Python Lumber Jack sketch, waarin een lumber jack een steeds meisjesachtiger kleren aantrekt? Zo nee, bekijk die dan even voor je doorleest – liedje begint op 4:00. Nou wij hebben dus ook een lumber jack en in plaats van een boomlange kerel met een (dus) houthakkershemd is het een heel klein mannetje (half hoofd kleiner dan ik) met een hoog stemmetje die zeer, ik kan het niet anders zeggen, nichterig tegen Chris zei, toen hij zag hoeveel jonge boompjes Chris voor ons huis had omgehakt “Well, haven’t you been busy!” En ze zagen de bomen dus helemaal niet eens om (want duurt eindeloos en dan moet die stronk er nog uit) maar ze duwen ze gewoon om met een ‘backhoe’, zo’n gele graafmachine met een schep voor en achter, ‘Scoop’ van Bob de Bouwer zeg maar (o ja: klik op de plaatjes voor een grotere versie):

En daarmee duwen ze ze om. En dan kunnen ze de bomen meenemen – wij laten ongeveer twintig bomen doen, die slepen ze dan weg naar de zaagmolen waar ze er planken van maken, en dan zijn de kosten van het omgooien en weghalen ongeveer evenveel als je voor het hout krijgt – dus in totaal is het dan als het ware gratis – maar Chris wil het hout houden en gebruiken, voor planken om een terrastuin, en om zijn ‘huisje in het bos’ mee te bouwen, en een pad ernaartoe (over het drassige stukje achter ons huis). En dan zijn er dus ook ‘sawyers’ – vandaar Tom Sawyer, dus – dat zijn mensen die aan huis komen met een zaagmachine op een truck en ter plekke de bomen in planken zagen. Die vind je hier gewoon in de Gouden Gids.

Tot zover de bomen! Ondertussen vind ik het ook wel een beetje erg, en het stuk voor ons huis is wat slagvelderig:


maar het is wel fijn meer licht en uitzicht te hebben – we kunnen nu heel Mount Mansfield heel goed zien


en het is geweldig elke ochtend/middag/avond even te kijken hoe de berg er nu weer uitziet, soms in de wolken maar meestal wel te zien, groen of blauwig of gelig in de zon.

…tot zover…

Zeer binnenkort meer: over het geweldige eten van de Community Supported Agriculture, over ons jonge katje (geadopteerd van Sebastiaan’s pianoleraar), over mijn nieuwe kantoor, over Sebstiaan’s zeilkamp en Iris’ tandoperatie. Maar nu moet ik eerst gewoon dit maar posten anders komt er nooit nieuws – ik probeer vanavond meer te schrijven.

Veel liefs aan jullie allemaal!

Anita

Comments (2)

Verdelgblog

(dit is een oud stukje blog van 23 Juli, niet afgemaakt)

“De natuur is mooi, maar je moet er wel wat bij te drinken hebben.”

Willem Kloos/Gerard Reve? (heb geen duidelijke verwijzing kunnen vinden!)

We komen er zolangzamerhand achter dat mensen die echt in de natuur wonen, een groot deel van hun tijd besteden aan het vernietigen ervan. De natuur is op gepaste afstand prachtig. Maar van dichtbij prikt, steekt, krast, bijt, en krabt zij: veroorzaakt gigantische jeukende bulten en uitslag die over het hele lichaam verspreidt. Of de natuur valt op je huis of op de electriciteitsdraden die (al in een Western) nog steeds het merendeel van Amerika bekabelen: donderdag kwamen we thuis en merkten dat de garagadeur, het formuis, de ijskast en de waterpomp (en dus het water) het niet deden. Het werd donker, de kinderen waren nat (Sebastiaan, uit het meer) en moe en we konden dus niet koken. Gelukkig deed mijn Blackberry het nog wel, en daarop zochten we naar restaurants in de buurt. Er bleek een Chinees te zitten naast de Price Chopper, en die weer naast een Hardware Store waar we lantaarns konden kopen. Dus we haalden (het bleek alleen een afhaal te zijn) van die interessante paralelogrammatische bakjes met een metalen afsluitdraadje waar Amerikaans Chinees eten altijd in komt, en hele lekkere dumplings en oké-e kip met broccoli en goeie garnalen met peultjes, en aten bij dit alles op bij het licht van de lantaarn, en de kinderen gingen elk met een nieuw zaklampje naar bed. En voordat ze in slaap vielen deed alles het ineens weer. Er bleek een gigantische boom op de draden bij de weg die naar onze weg leidt, gevallen te zijn.

En mede daardoor is Chris verdubbeld in zijn plannen om de bomen  vlak naast ons huis om te kappen. Hij had een afspraak met Scott, the Forest Guy, die hem vertelde dat alle dennen vlak naast ons huis inderdaad best op het huis zouden kunnen vallen.

Leave a Comment

Bosblog

Het is donderdagavond, en de krekels krekelen in het donkerebomenbos achter ons huis. Ik ging er net een eindje lopen – dat is moeilijk, ‘s avonds, want je verdwaalt snel – je verdwaalt overdag al snel. En nu wordt het heel langzaam donker: het donker groeit om de bomen heen ons ons huis, dit is mijn beste foto er van:

Het bos 's nachts

Bos 's nachts

En in het bos is het zompig en groen, zo groen: overal varens en mos en omgevallen boomstammen, een woud van vermolmdheid, met af en toe een randje rots dat ergens tussenuit steekt, en takken en stammen en stronken en stompen zodat je op moet passen waar je je voeten zet, en of ze daar niet doorheen zakken of wegglijden of in een poel blijken te staan zodat je schoen achterblijft en je er alleen maar een kaal modderig pootje uit trekt. Maar verder op wat hogere stukken, daar is het bos droog: en het is zo groot, zo enorm groot en geweldig groen, ons bos.

Chris is steeds bezig er achter te komen wat nou precies van ons is, en wat niet. Er loopt een weggetje doorheen, een erg overgroeid pad, ‘an old logging road’ zeggen de mensen die het weten kunnen (de buren, de vorige bewoners) en op de een of andere manier vind ik het nog veel bijzonderder dan een bos hebben om een bosPAD te hebben. Als ik er over loop en denk ‘dit is van ons, dit is gewoon helemaal van onszelf’, voel ik me net een koning, ofzo, of een hertog: iemand met Land, in ieder geval. Ik ken bospaden alleen van op zondag, met de hond, met zo’n merkwaardig trapezoïde half-afgerond bordje ervoor van wat er wel of niet mag (hond aan de lijn, geen vuur maken) en andere mensen en af en toe een blikje of een zakje langs het pad die je dan opraapte en bewaarde tot de volgende prullebak, wat nooit lang duurde, op zo’n pad.

Maar hier dus een heel pad dat we nog niet eens zijn afgelopen – Chris heeft laatst geprobeerd tot het eind van ‘our property’ te lopen omdat daar een hek schijnt te staan, maar hij heeft het niet gevonden. Misschien liep hij ook wel in een kringetje rond, het is niet zo groot, 400 x 100 m, ons bos, tien voetbalvelden achterelkaar, maar tien voetbalvelden struikel- en kruipgewas, stronkelstruweel, is heel veel omdat je niet vooruit kan zien of lopen: je gaat naar een verhoging toe of een open plek tussen de bomen, maar daar zijn dan weer meer bomen en dan weet je niet of de bomen waar je van daan komt die eerdere bomen zijn of weer andere. Het zijn er veel.

Bos overdag

Bos overdag

En het is elke dag geweldig om in een bos wakker te worden. Het ruikt altijd heerlijk – een diepe kruidige lucht, heel complex, dit is duidelijk wat ze proberen om in die flesjes te stoppen: het is zoiets als heel erg lekker eten, dat je proeft en proeft maar nooit helemaal ‘uitproeft’ – zoiets, je ruikt het nooit helemaal uit, er blijven altijd noten of tonen of stukken geur ongeroken, een hele rijke, diepe, groene geur. Overal zijn horren op de ramen, maar daaronder de ramen open, zodat het huis de hele tijd ook zo ruikt, vanzelf, gratis. En je hoort steeds beesten – vogels, voornamelijk, verschillende vogels op andere tijden, ’s morgens vroeg een soort piepbeestje, als zo’n baby-of hondenspeeltje waar iemand steeds op stapt. ’s Avonds is er een mooie, met echte liedjes (nachtegaal? Merel?) en ook vaak een bescheiden ‘ek-ek-ek’je van het roodborstechtpaar dat  boven ons raamkozijn een nestje heeft gebouwd en het niet echt fijn vindt dat wij daar nou onder zijn komen wonen – uit de woonkamer zie je vaak een van de ouders komen aanvliegen met een wormpje en vanuit de voordeur kan je net de kleintjes zien hun kleine bekjes strekken, en iek-iek-iek zeggen, ik eerst ik eerst. En een ander geluid komt denk ik van een eekhoorn, het is een beetje hard en zoogdierachtig, en is vooral als onze kat sluipbewegingen maakt om de boom waar de eekhoorntjes zitten. Dus dat is ‘pas op – kat’ in het lokale Eekhoornse dialect.

Je zou makkelijk de hele dag in het bos of aan de bosrand of op het deck kunnen zitten om dit allemaal waar te nemen, uren per dag, maar toch doen we dat niet. Het grote inburgeren is nu van harte begonnen en allemaal storten we ons op verschillende manieren in Vermont. Sebastiaan doet dat het meest letterlijk: hij zit deze week op zeilkamp, wat hij geweldig vindt. Iedere morgen breng ik hem op de ‘morning commute’ naar Lake Champlain naar zijn councellors Craig en Nick (die dan zeggen ‘how’s it going’, big guy’ waar Sebastiaan dan niet van weet wat hij er op moet zeggen, dat weet ik ook nooit…) en iedere middag haal ik hem doormoe en doornat op. Dan heeft hij zich op het laatst in het meer gestort, of regen over zich heen gekregen, of gewoon heel veel water omdat het zo’n klein bootje is. Hij vindt het allemaal geweldig en heeft het over de ‘boom’ van de ‘Escape’ en dat hij de ‘gib’ mocht binnenhalen en hij wil meer een nog eens en ook een boot en zeilen, voortaan.

En dan hebben we eerst Iris afgeleverd bij de bus naar Girl Scout camp, met een zestal meisjes tussen de 5 en de 10 die allemaal om 8 uur bij de Essex Cinema staan te wachten, er zijn altijd allerlei meisjes die hun vriendinnetjes dan al zien en samen staan te giebelen, ik besefte vandaag ineens dat mijn angst dat Iris buiten de boot valt in dit meisjesgeweld niets met Iris en alles met mijn eigen lagere school ervaringen te maken heeft, vooral van die ‘leuke’ meisjes met precies de goeie rugzak en ‘cute’-e sokjes en paardestaartjes en nu al perfecte bruine beentjes, terwijl Iris me met haar te lange haar en de broek van haar broer en haar stoere (niet-meisjesachtige) rugzak er bij af steekt. Maar het is duidelijk dat zij dat niet is maar ik, in mijn kinderogen, die hier een probleem mee heeft: zij komt blij thuis met Girl Scout liedjes en zei vanmorgen dat ze vannacht voor het eerst in het Engels had gedroomd…

En Chris gaat erop uit om Dingen te kopen en te doen – hij heeft een afspraak met een bosmeneer om te kijken wat er met het bos Moet en kan – hij heeft alle verzekeringen en alle auto-reparaties geregeld (we hebben nu allebei een auto, ik een fijne Subaru Station wagon, die hebben alle vrouwen hier, met zooi achterin en een kapotte cup-holder maar wel een 4-wheel drive en kan tegen sneeuw en ijs – en hij heeft een pickup truck die alle mannen hebben, met twee deuren zodat de kinderen achterin kunnen, en een treeplank en een bak die kan zakken, en dan maken ze half-gemeende grapjes over een gun rack dat ze eigenlijk best willen, Chris en de Vermontse mannen, die wonderlijk zachtmoedig zijn, een beetje Zweedse mannen, soms zien ze er wel stoer uit maar echt macho doet niemand, daar is waarschijnlijk een wet tegen).

En ik ga eerst een uur werken in de New Moon Rising Cafe, waar ik elke dag een Large Latte with an Extra Shot (espresso, maar dat zeg je er niet bij) bestel a raison van $4,76 en dan anderhalf uur werk (want behalve geweldige koffie hebben ze daar een hele snelle wifi verbinding). En daarna ging ik deze week met veel omhaal (omdat ik ook na het vier keer gereden heb nog steeds niet precies begrijp hoe je er nou komt en dus altijd moet omdraaien omdat ik er alweer voorbij ben gereden) naar de Guest Parking van UVM, de University of Vermont, waar ik dan 5 uur in de bibliotheek ga zitten werken. Zonder wifi, maar dat is juist ook wel goed – ik heb al eindelijk een artikel af, en vandaag ook nog mijn experiment – het schiet wel lekker op zo, zonder collega’s, al is het ook wel eenzaam vind ik. Maar: goede tijdingen, ik ga proberen een ‘fellowship’ bij de Gund Institute te krijgen, onder begeleiding van iemand die ik dinsdag ontmoette en mij daar graag aan wil helpen, een Italiaan die zelf naar Spanje gaat verhuizen maar voor die tijd mij graag bij zijn Instituut wil parkeren, en dat wil ik natuurlijk ook heel graag.

Dus!

Later meer, er is nog veel meer te vertellen, maar om kort te gaan: het gaat goed, we worden steeds meer Vermonter (veel belangrijker, hier, dan Amerikaan), we missen Nederland wel, maar zijn ook wel heel erg hier nu. Het missen zal denk ik komen als iedereen in Nederland ook weer begint met z’n werk en school, nu is het hier ook wel komkommertijd, – maar met al die kampen beginnen we het al een beetje te merken, hoe het is, en in ieder geval zijn we al heel goed verzekerd.

Heel veel zoenen, daaro, aan jullie allemaal. Schrijf eens wat terug, als reactie, vertel hoe je vakantie was of is ofzo! Vind ik leuk.

Anita.

Comments (7)

Blog van het Deck, 8 juli, 02:00 u

Op het deck aan het bloggen dus

Klein inleidinkje van 17 juli.

Hieronder dan: de blog die ik kwijt was!

Ik heb hem terug – de  vriendelijke mensen bij ‘Small Dog Electronics’ hebben alles gerestaureerd – ze hebben al mijn oude software gered en al mijn oude files en alles is nu op mijn nieuwe computer, helemaal in orde, en ik heb net een backup gemaakt! Aaahhh…

Dus! Deze blog is van vorige week – het is inmiddels zaterdag 17 juli, dus meer dan een week later. Inmiddels ben ik op en neer naar Boston geweest, en ziek geworden (een beetje, een soort griep) en weer bijna beter (nouja, heb alleen nog een hoest) en hebben we al drie mensen bij wie we eten met kinderen waar onze kinderen mee spelen. De laatste aanwinst zijn de Mercers: Iris speelde op school met het meisje Lucy, en haar broertje bleek het jongetje te zijn dat met een stuk Lego Star Wars zat te spelen achter ons bij Iris”gym kids’ uitvoering gister; en haar moeder die vrouw met dat leuke asymmetrische haar die ik wel zag zitten als vriendin. Die hoorden dus allemaal bij elkaar en de kinderen hebben hier de hele ochtend gespeeld – hele leuke goeie gewone kinderen van 5 en 7, een beetje jong maar ging prima, zeer ondeugend leuk vrolijk meisje en een serieus jongetje. Hij is verwekt in de nasleep van 9/11, vertelde zijn moeder, die Kim bleek te heten en even koffie dronk voor ze de kinderen (waarna ze gewoon vertrok, nadat ze vroeg ‘is it very rude if I leave now’ – helemaal niet, integendeel!) enfin, en ze dachten dus dat hij wellicht een gereincarneerde brandweerman was (niet helemaal duidelijk in hoeverre dat een grapje was, ze zijn erg van de vage hier, in het algemeen) en Chris suggereerde dat hij wellicht een gereincarneerde bankier was waarop Kim zei ‘O my God that would explain a lot, he keeps wanting to get reimbursed for everything!’.

Dus. En toen de Mercertjes weg waren (na een geweldige ochtend waarbij ze op de trampoline sprongen terwijl ze elkaar met waterpistolen beschoten, het jongetje William riep ‘You’re supposed to fire at the person who is not your brother!’ – inderdaad een exacte geest…)

Op de trampoline

Dit is de fijne nieuwe grote trampoline - erop met Lucy en William

nog weer meer dingen kopen, eten en boeken met de vogels hier. Want we werden vanmorgen wakker omdat er iemand met twee stokjes op elkaar leek te slaan. Ik liep naar het raam en zazg eerst een gigantisch konijn, maar toen we nog eens keken zagen we vlak voor ons raam een specht die aan het hameren was op de dode boom voor ons huis. En nou kunnen we opzoeken wat voor specht…

Maar goed. Dus we kochten weer meer dingen vandaag – boeken en eten en Sebastiaan was enigszins opgelicht door eBay en mocht iets anders uitzoeken van het geld dat hij in Nederland van onze vriend Tjeerd had gekregen (dank je Tjeerd!) en Iris ook dus we kochten in de gigantische (natuurlijk) Toys’R’Us een plastic hamster ding van de tv waar ze erg blij mee is, en dus meer Lego. En nou zijn we thuis met onze peperdure boodschappen van de Sweet Clover Market (allemaal Local en Organic en werkelijk waanzinnig duur, 5 dollar voor een zakje chips; we hebben besloten zelf brood te bakken in de broodbakmachine die Chris op een garage sale kocht want ook brood is $5 per brood als je niet heel vies brood wilt!) en mijn computer doet het weer en alles is goed…

En nu dan toch die twee eerdere blogs. En binnenkort meer want ik heb nu een computer en ook internet!

Reageer graag, vooral, allemaal – gezellig. Is het daar ook zo warm? Of zijn jullie allemaal op vakantie?

Zoenen en knuffels – a.

Blog van 8 juli.

Het is twee uur ‘s nachts, en ik zit op ons deck. Dit deck, een soort veranda dat achter aan het huis vastzit, zou, als het niet zo verdomde heet zou zijn de hele tijd, in de zomer verreweg de belangrijkste kamer van het huis zijn. Maar nu is het nacht en eindelijk koel – maar toch nog warm genoeg om zonder problemen in een t-shirt en een onderbroek buiten te zijn. In de koele nachtlucht hoor ik een dier – ik denk een uil. Het maakt een soort zwiepend geluid – woewoewoewoewoezoepzoepzoep maar dan heel zacht, een soort zoeven – telkens 14 keer, en dan een stop. Hij vliegt rond, al woewoezoepend –daarnet hoorde ik er geloof ik nog een. Zijn er twee? Of eentje die rondvliegt?

De nacht hier is ongelofelijk. Boven je staan zeven miljard sterren. Als je omhoog kijkt is er een tapijt, een doek, een jas van sterren. Middenlangs loopt de Melkweg – dat is een soort vitrage met een scheur erin, een zacht-witte streep, waar je het heelal overdwars ziet. En daaromheen, overal, werkelijk overal zie je zo ontzettend ongelofelijk veel sterren dat er geen beginnen aan is om er naar te kijken, overal waar je kijkt zijn er meer, elk stukje hemel waar je een patroon in begint te herkennen blijkt, als je beter kijkt nog veel meer sterren te hebben, alle stadse sterrebeelden, de Orions en de Grote Beren slaan hier nergens op want je ziet overal een steelpannetje of drie sterren op een rij.

En overal zijn dieren. Die je niet ziet, maar hoort.

Gister werd ik wakker gemaakt door onze poes, die na twee dagen bibberend en in shock achter de verwarmingsketel te zitten kennelijk had besloten dat de wereld toch niet was vergaan, en op haar gewone opgewekte wijze om 2 uur ‘s nachts gezellig in ons gezicht kwam mauwen. Nadat ik haar in de garage had gezet (waar zi j en haar broer even moeten zijn, tot ze de wilde en ongelofelijke wereld Buiten mogen verkennen) ging ik even naar het deck, en Chris kwam ook. We zaten een tijdje naar de sterren te staren en het niet eens te worden over wat dat nou echt de Grote Beer was, toen we in de verte een gehuil hoorden – heel traditioneel zoals je denkt dat wolven klinken, alleen wat hoger. Her was een coyote, want die zitten hier – eerst een, toen in een andere verte nog een, en ten slotte een heleboel: het ging van een huiltje naar een boel opgewonden gejank en tenslotte een soort door elkaar geschreeuw van jankend huilen, een opgewonden schoolklas van coyotes. Dat zei Iris tenminste, toen ik haar er over vertelde de volgende dag – misschien is het een nachtklas van coyotes, en maken ze net zo’n lawaat als mijn klas op de Regenboog.

Dus.

Hoe gaat het.

Om te beginnen is het hier dus, sinds we zijn aangekomen, bloed- en bloedheet. 32

graden, of nog warmer – 37, 38 – ‘in the hundreds’. Op de radio zeiden ze dat je maar beter binnen kan blijven, als het kan, en gister zijn we overdag met z’n allen naar de film gegaan: Toy Story 3, in het kleine theatertje hier in Essex, Essex Cinema’s wat niet een grote keten is maar gewoon een klein filmtheatertje met vijf zaaltjes en geweldige handgemaakte reclame vooraf, door iemand gefotoshopt met een foto van een feestje met mensen met bier in hun hand, hele gewone mensen op een hele gewone foto zodat je beseft hoe raar en vervreemdend en glad ‘echte’ reclames zijn, en foto’s van eten dat er heel vies uit ziet, bruine drab op een plakkerig bordje, dus eten fotograferen is kennelijk ook een kunst. En dan 25% off the Burger Meal met je ticket stub.

En koel. Want de hitte is bijna ondragelijk, zeker buiten waar je totaal wezenloos wordt, maar ook binnen onder de fans, de plafondventilators die in ons huis in elke kamer hangen en op een fijne lome American South manier de lucht rond blazen om nog iets van een briesje te maken, maar tegen deze zware hangende hitte niks kunnen beginnen en we worden zwaar en slap en sloom en hangen rond op de grond (onze enige meubels totnutoe zijn twee opklapstoelen, en die staan buiten, dus we lezen en eten en spelen op de grond) en wachten tot het later wordt, en minder warm, en tot Chris thuis komt van wat hij aan het doen was, en tot eindelijk de Cable Guy komt.

Hetzelfde Deck, 9 1/2 uur later.

Deze mythische Cable Guy is iemand die ons tot grote wanhoop drijft. Gister zou hij komen, tussen 12 en 4, dus wij thuisblijven. Op een gegeven moment werd er gebeld terwijl we met Chris z’n zus aan de telefoon waren, maar we wisten niet hoe je niet naar het andere gesprek kan gaan en ook niet hoe we voicemail kunnen bellen of zelfs maar aan het nummer kunnen komen van iemand die je kan vertellen hoe je aan de teogangscode van je voicemail kan komen. En toen we eindelijk om 5 uur belden waar hij bleef bleek dat dat iemand van Comcast (het kabelbedrijf) was geweest en dat ze niet kwamen als we onze telefoon niet opnamen. Aagh! Goed, ze zouden tussen 4 en 8 komen. Okee dan. Maar ook na acht uur waren ze niet geweest, terwijl wij steeds paniekerig elkaar vroegen of we de telefoon hadden, en of hij wel opgeladen was, en het wel deed. Daarna belde Chris Comcast – een geweldig gesprek waarin hij tegelijkertijd aangaf dat hij boos, teleurgesteld, berooid en toch ook begripvol voor de zwakke positie van de helpdesk=medewerker was. En toen bleek dat ze zonder het ons te vertellen de afspraak naar volgende week hadden verzet. Maar na Chris’ pleidooi (do you really expect me to take another day off from work to wait for you people? Would you take another day off from work? Right now you are not acting like a company I am happy doing business with…) beloofden ze dat ze vandaag kwamen, tussen 8 en 12.

Het is nu 11:31, en elke geknerp op de snelweg doet ons opveren (daar zijn ze, misschien! Heb jij de telefoon? Doet hij het nog?) en nu zijn Chris en de kinderen maar naar het riviertje gegaan, om in te zwemmen, de prachtige geweldige koele rotserige Browns River, op 10 minuten van ons huis, naast Sebastiaan’s Middle School waar hij over een jaar naar toe gaat, in het Mills Riverside Park waar zaterdag een openluchtconcert is met picknickende locals en ‘Jericho’s own’ reggae broers – twee voorwaar niet-witte mensen hier, tot nu toe ongeveer vijf gezien, twee ‘Islamitische’ families (ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven: mevrouwen met hoofddoeken en donkere kinderen, geen idee welk land ze vandaan kwamen, spraken iets dat Arabisch klonk) en een echte African American, die bij de supermarkt werkte met allemaal zeer wakker en fris uitziende tieners.

En ik ben even alleen thuis – ahhhh voor het eerst alleen sinds vorige week donderdag – het is vooral heerlijk om me even geen zorgen te maken over de kinderen, die weliswaar heel rustig eindeloos op de grond Donald Ducks lezen of lego’en of knutselen maar toch ook in een vreemd land in een vreemd huis een vreemde tijd meemaken. Iris zei gister – ‘mam, aan het einde van de grote vakantie gaan we wel weer even naar Nederland, toch?’ en Sebastiaan zei ‘als we nou internet krijgen kunnen we misschien wel even met mijn klas Skypen, okee?’

Comments (1)

Blog van mijn nieuwe computer

Met David Bowie op de achtergrond, en een Backup Disk aan de Firewire poort, begin ik aan mijn eerste blog op deze gloednieuwe computer.

De vorige is een tragische dood gestorven toen ik aan een eerdere (poetische, grappige en heeele lange!) blog bezig was, drie dagen geleden op de ‘deck’, ‘s ochtends, toen ik voor het eerst in tijden alleen thuis was. Eerst leek alles nog okee, maar toen verscheen eerst een omineus batterijtje met een bliksemflitsje erdoor, en toen kwam een zielig streperig appeltje erop, en toen niets, helemaal niets.

Ik was er twee dagen van slag van. Hoewel ik de meeste dingen bewaard heb – goddank heb ik alles voor mijn proefschrift op een usb-stikje gezet, en al mijn artikelen ooit – maar al mijn praatjes zijn weg, bijvoorbeeld, en al mijn muziek, en alle Elsevier documenten en alle foto’s. Ik heb hem naar een Mac-dealer hier gebracht die hopelijk, hopelijk de harde schijf nog kunnen redden – hoewel de vriendelijk bebaarde nerd van de helpdesk (letterlijk een bureautje achterin) mij uitlegde dat reparatie, na ‘liquid damage’, over het algemeen niet mogelijk was –  en in een klap een nieuwe computer gekocht, een aluminium 13” MacBook Pro: – mooi hoor, maar ik ben er nog een beetje verbitterd mee, nog niet echt blij. Al is hij sneller en veel leger en op allerlei manieren mooier en beter.

Enfin!

Nou. Dus! Daar zijn we dan.

‘Kak nastroyenya’, how is de stemming, vragen Russen nu.

Ik ben eigenlijk een groot deel van de dag heel gelukkig: nog wat in de war, maar wel gelukkig. Het is hier zo ontzettend fijn.
Ten eerste is het overal echt zo ontzettend, ongelofelijk mooi, zonder dat het daar erg zijn best voor doet. Overal is gewoon bos en zijn bergen, en dat is het zo’n beetje: nou zijn we de laatste dagen wel erg bezig geweest met dingen kopen – God wat hebben we een boel dingen gekocht- maar toch is het van en naar ook die grote winkels – de Best Buy voor electronica (met twee vruchteloze pogingen een Router te kopen voor ons draadloze netwerk, waarom wordt dat toch altijd zo idioot moeilijk gemaakt, zo ingewikkeld zou dat toch echt niet hoeven moeten zijn) en een tv en een stofzuiger en een printer – en naar de Bed Bath and Beyond waar we vandaag twee complete inrichtingen voor de kamers van de kinderen hebben gekocht, waar ze nu in slapen, met bedden van de tweedehandswinkels en matrassen van de Underpriced Mattress winkel – maar van en naar dat alles is het nog steeds ontzettend mooi overal, en steeds doorkijkjes op prachtige watervallen en Mount Mansfield in de achtergrond, de berg hier, en bos en gras af en toe en meertjes en rivieren. Prachtig, echt.

En de mensen, die erg, erg aardig zijn. Ook op een soort onnadrukkelijke manier. Ze vragen allemaal waarom we nou in Godsnaam hier, of all places, naar toe zijn gekomen, – zij komen hier allemaal vandaan, en hun ouders vaak ook al – en vervolgens zeggen ze dat zij ook geloven (maar heel bescheiden) dat dit waarschijnlijk wel de fijnste plek op aarde is, vooral ‘to raise kids’, het is veilig en buiten en mooi en de mensen zijn lief en er is ruimte.

En dan ben ik erg bezig, met of de kinderen nog wel gelukkig zijn en schoon genoeg en met gepoetste tandjes en goed gevoed, en of we het boodschappenlijstje wel meehebben, en of de Router het nou eindelijk doet.

En dan ’s middags, steevast rond een uur of vier, ben ik melancholiek. Dat mijn computer stuk is, en alles hier zo raar – je moet overal naartoe rijden, en het ruikt raar, en ik ken hier niet echt iemand behalve Vincent maar die is ook erg in zijn eigen kringetje aan het ronddraaien, en wat zijn we toch op onszelf teruggeworpen, en wat doen we hier eigenlijk in Godsnaam, en hoe kunnen we de kinderen dit aandoen!

En dat duurt dan even.

En dan moeten we weer koken, en eten, en dat is fijn en nieuw en lekker (we hadden allerlei local organic peperduur eten op de Farmer’s Market gekocht waar de vorige bewoners met een kraampje stonden, in de bloedhitte; of we halen mais en worstjes bij de Price Chopper, onze winkel die veel fijner is dan de naam doet vermoeden waar ik vandaag een heel leuk gesprekje had met een mevrouw over hoe onlogisch dingen toch altijd in supermarkten niet bij elkaar staan) en dan moeten de kinderen alweer naar bed en dan zakken wij zelf ook uitgeput in elkaar onder de ventilator want het is nog steeds bloedheet hiero.

Nou, het is al tien uur maar liefst! Hoog tijd om te gaan slapen. Ik weet niet of het nog een restje jetlag of de algehele verbijstering is, maar we zijn allemaal elke avond doodop. Later meer.

Veel zoenen – ik mis jullie allemaal heel erg, elke dag tussen vier en zes.

-a.

Comments (1)

Eerste email van 6 juli toen we nog geen internet hadden

Lieve allemaal (graag doorsturen aan iedereen die hier niet op staat, ik heb maar weinig email adressen hier – Ik zal deze mail ook bloggen zodra ons internet het doet): we zijn na een hele lange en deels geweldig makkelijk (Schiphol, Kennedy uit, douane, kattenpapieren) en deels wat lastig (Kennedy in: met katten door de douane en zeer knorrige ground staff, nieuwe mandjes volgens Jet Blue regels kopen, 1 koffer kwijt bij aankomst) verlopen reis aangekomen in ons heerlijke, fantastische, geweldige huis. ‘Een wild paleis’ zei Iris, en ‘het is nog fijner dan ik dacht…’ En beide kinderen zeiden toen ze wakker werden en uit het raam keken  precies hetzelfde: ‘dit is allemaal van ons’. En nu zijn de koffers uitgepakt en de katten zitten trillend onder deverwarmingsketel van de schol te bekomen, en de kinderen lezen de stapel strips die we hebben meegenomen en ik zet nog maar eens kopje koffie.

Het adres is dus 71 Hanley Lane, Jericho, Vt 05465. Mijn telefoon werkt hier, gewoon 06 20367331 en ook mijn werk email: a.dewaard@elsevier.com.
Heel veel liefs en tot binnenkort! Veel zoenen,

Anita

Leave a Comment

« Newer Posts · Older Posts »